It’s been a hard days night.

Het vliegende kleinkind.
Het vliegende kleinkind.

Gisteren was het wel even doorpakken geblazen. ’s Morgens naar Lisse om te kijken naar de eerste turnwedstrijd van kleindochter Madelief. Die heeft zo maar besloten turnster te worden. Waar komt dat nou weer vandaan? Mijn moeder was fanatiek lid van “Hercules”, dat zal het wel zijn. Ik vind dat Madelief talent heeft, ze had moeten winnen. De jury lette zoals gebruikelijk weer niet op. 

Het duurde allemaal wat langer dan gepland zodat ik moest ‘ruifelen’ om op tijd in Oegstgeest te zijn om de Amusanto apparatuur in te laden. Het aantal apparaten lijkt met de dag in aantal toe te nemen. Gelukkig is het vervoer ook aangepast, er is een grotere bus.
Het inladen ging gesmeerd en gelukkig konden we direct terecht in De Roskam. Aldaar een paar uur besteed aan opbouwen en warm spelen.  Ondertussen schuifelde allerlei volk voorbij, de meesten onderweg naar een verjaardag in de Baronskamer boven.
Wat een geweldig pand is het toch. Band oprichter Cor wist nog te vertellen dat er ooit iemand is gecremeerd, een eufemisme voor de brandstapel, zo vermoed hij. Wat een rampzalig pand is het toch.

Maar, een prima omgeving voor een optreden. Het werd weer een mooie avond. Pas rond twee uur ging ik ‘ter kooi’.

Vandaag werden we verwend door onze nicht Ellen, die haar verjaardag vierde. Weer een gezellige boel daar aan de oevers van de River Rhine en een uitstekende prijs/kwaliteit verhouding voor de lunch. Wel op tijd reserveren!

 

 

 

Paul Krugerstraat – Het Huis.

Paul Krugerstraat 18 - Arie en Kees ca 1960
Paul Krugerstraat 18 – Arie en Kees ca 1960

Dat schrijven over vroeger stelt je toch wel voor problemen. Hoe doe je zo iets, schrijf je chronologisch, dus netjes in tijdsvolgorde of dwarrel je maar zo’n beetje heen en weer door de tijd?
Of deel je het in in onderwerpen binnen zo’n periode? Nou ja, ik begin maar, waarschuw maar als het een zooitje wordt.

Ergens in 1952 verhuisden wij naar het adres Paul Krugerstraat 18. Mijn ouders kochten het huis  van Arie Zuijderduijn, een oom van mijn vader. Diens vrouw was een  veel jongere zus van mijn oma Helena Kraaijenoord – Guijt. De familie Zuijderduijn verhuisde toen naar de Koninginneweg en het schippersgezin kreeg daarmee een ‘upgrade’ qua woonomgeving. Hun dochter, een volle nicht van mijn vader dus, woont er nog.

Ons nieuwe huis had nog geen voordeur, dat is jammer genoeg net niet te zien op bovenstaande foto. In de aan de straat gelegen voorkamer was een bedstee waar niet in werd geslapen. In de tijd dat mijn vader schepen loste in Rotterdam lagen er grote groene bananen trossen. Vogelspinnen waren gelukkig nog niet uitgevonden. 

Ook de voorkamer zelf werd niet gebruikt. Er stond een onhandig bankstelletje waar bijna nooit iemand op zat. Goedbeschouwd is het van de gekke. Heb je een huis met twee kleine woonkamertjes en dan gebruik je er maar één van.
In het  achterkamertje stond centraal de kamertafel met daarop een ‘perzisch’ kleedje.
Er zat een brandgaatje er in, een schade die vele malen werd besproken. Het was door een neef veroorzaakt . Hij werd daarna niet meer alleen in de kamer gelaten.
Klein ongelukje met verdragende gevolgen, gezien het feit dat ik het er zestig jaar later nog over heb. 

In de keuken hadden we zowaar ‘stromend water’.  Koud, wel-is-waar. Hoe mijn ouders zich wasten is mij een raadsel, ik heb er nooit iets van gemerkt.
Een aardig – nou ja aardig – voorval heeft mijn moeder later opgebiecht. Ze had mij in een teil op het gas gezet en was even blijven praten met een buurvrouw, dat deden ze in die tijd nog. Luidkeels schijn ik te hebben aangegeven dat ik geen garnaal was. Om over ‘op de blaren zitten’ maar te zwijgen.

Een binnentoilet hadden we ook al. Met stortbak, dus dat was het tweede, en laatste, aansluitpunt met ‘stromend water’.  Die binnen toiletten had nog niet iedereen. Ik herinner mij dat een buurman ’s nacht was gestorven op het ‘stilletje’ achterin de tuin. Gek dat zoiets zo lang bij blijft.

In 1962 werd het huis verbouwd. We vertrokken tijdelijk naar de Sluisweg en de achterkant werd ‘opgetrokken’  waardoor we boven drie slaapkamers en een echte douche kregen. Die douche werd voorzien van warm water met een in de keuken geplaatste geiser. Die geisers leverden nogal eens levensgevaarlijke situaties op. Omdat ook de kachel de zuurstof kon opmaken is het een ‘merakel’ dat we dat allemaal hebben overleefd. Wij wel ja, maar lang niet iedere Nederlander.

Via een slopje dat tussen de schuur en het huis van buurman Plokker liep waren we verbonden met de Willem Taatstraat. Die straat werd het centrum van mijn jonge jaren. Waarover later meer.

p.s.: Bram Ouwehand maakte onderstaande schets van de omgeving waarin ik werd geboren (zie eerdere weblog). Ergens in het rode vierkantje moet mijn wieg hebben gestaan.

Schets van mijn geboortegrond.
Schets van mijn geboortegrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Wie niet spreekt wordt niet gehoord, wie niet schrijft wordt niet gelezen.